Luiaard

Luiaarden, die tot de orde van de tandarmen behoren, zijn boombewoners. Ze leven in de oerwouden van Zuid- en Midden-Amerika. Ze doen hun naam werkelijk eer aan, want ze verslapen het grootste deel van de dag. Daarbij hangen deze vreemd uitziende schepsels gewoonlijk met de rug naar beneden. Ze plaatsen hun vier ledematen dicht bij elkaar, ze krommen hun lichaam en ze duwen hun kop tegen de borst. Met hun lange armen en grote klauwen kunnen ze zich moeiteloos vasthouden aan de takken.

In de schemering worden de luiaards levendig. Dan schuiven ze gemoedelijk van tak tot tak en voeden ze zich met jonge loten en vruchten. Ze krijgen water binnen door de dauw van de bladeren te likken.

De haren van de dichte, ruwe vacht lopen, in tegenstelling tot die van andere zoogdieren niet in de richting van de rug naar de buik maar van de buik naar de rug. Hierdoor loopt de regen van hun vacht.

Luiaards werpen maar één jong. Dit jong komt goed ontwikkeld ter wereld. Het heeft al een dichte vacht en krachtige klauwen en tenen.

Daarmee gaat hij gelijk aan de hals van zijn moeder hangen die hem dan overal mee naar toe sleept.

Men maakt onderscheid tussen tweevingerige luiaards die twee tenen aan beide voorpoten hebben en drievingerige luiaards die drie tenen hebben.

De tweevingerige luiaard, de “oenau”, komt voor in het noorden van Zuid-Amerikaen hij wordt ongeveer 65 cm lang. Het haar op zijn lichaam is olijfgrijs, op de rug is hij donkerder van kleur en op de kop, in de nek en in het gezicht is hij iets groenachtiger.

De drievingerige luiaard, de “aï”, komt voor in Brazilië en hij wordt 60 cm lang. Zijn vacht is roodachtig grijs, op de buik is hij zilvergrijs.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>

Onderdeel van Informatie Over