Iguanodon

De Iguanodon dankt zijn naam aan “Iguana”, een leguaan uit tropisch Amerika (Gr: odoús = tand). Hij leefde van de late Jura (Malm) tot in het Onder-Krijt 130 tot 115 miljoen jaar geleden.

De Iguanodon was de grootste sauriër van de plantenetende ornithopoden (vogelpoot-dinosauriërs), die tot de orde van de Ornithischia (”met vogelbekken“) behoorden.

Al in 1809 werd in Zuid-Engeland een botfragment van de Iguanodon gevonden. In 1811 ontdekte men nog meer beenderen en ook tanden.

In eerste instantie dacht men, dat het om de tanden van een reusachtig zoogdier ging.

Pas de gepassioneerde fossielenverzamelaar dr. Gideon Mantell, die ook geoloog was, identificeerde ze als de tanden van een reptiel. Omdat ze hem aan die van een leguaansoort herinnerden, gaf hij het dier in zijn wetenschappelijke verhandeling van 1825 de naam “Iguanodon”. Destijds beschreef hij een draakachtig dier met een hagediskop, dat een hoorn op de neus droeg.
Deze hoorn was, zoals later bleek, echter de duim van Iguanodon. Tegenwoordig weet men, dat de Iguanodon een planteneter was met een geweldig lichaam en een lange, krachtige staart. Ook de achterpoten waren lang en sterk, aan de voeten bevonden zich drie tenen met stevige, hoefachtige nagels.

De voor het grijpen toegeruste, kortere voorpoten hadden handen met vijf beweeglijke vingers, waarvan er drie met nagels bezet waren.

Aan het uiteinde van de duim bevond zich een dolkvormige stekel, waarmee de Iguanodon kon grijpen. Maar vermoedelijk diende deze ook als verdedigingswapen tegen vijanden, zoals de grote vleeseter Megalosaurus.

Het dier zwierf het grootste deel van de tijd op vier poten door het tropische landschap van het Krijt. Meestal was hij met soortgenoten in een kudde onderweg, als hij de paardestaarten en varens op de oevergebieden van de meren en rivieren graasde.

Om bij de hoger groeiende plantendelen te kunnen, richtte de Iguanodon zich in zijn volle lengte op, en ging op zijn achterpoten staan.

Daarbij werd de staart als steun gebruikt, die ook het evenwicht bewaarde. De kop van deze dinosauriër had een verlengde snuit met een kaak.

Met zijn talrijke kiezen kon hij zonder moeite de hardvezelige planten afbijten en fijnkauwen.

In 1929 werden in een steenkolenmijn bij Bernissart in België 29 bijna compleet bewaard gebleven skeletten gevonden. Voetafdrukken ontdekte men in Zuid-Engeland.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>

Onderdeel van Informatie Over